7 min

Focus op de nieuwe Frans-Belgische Conventie?

Op 9 november 2021 hebben België en Frankrijk een nieuw belastingverdrag ondertekend dat tot doel heeft de regels van het huidige verdrag uit 1964 te moderniseren. Het oude voldeed niet meer aan de meest recente internationale normen. Het nieuwe verdrag bevat een nieuwe definitie van woonplaats naast bepalingen inzake vaste inrichtingen en antimisbruikmaatregelen. Ook behoudt de overeenkomst het recht van beide staten om vermogenswinst op onroerend goed of op de verkoop van een aanmerkelijk belang te belasten.

Samengevat

  • Wat met een tweede verblijfplaats in Frankrijk?
  • Belastingheffing op aanzienlijke vermogenswinsten?
  • De toerekenbare FBB heeft zijn tijd gehad
  • Wat met kunstenaars en sportbeoefenaars?
Focus op de nieuwe Frans-Belgische Conventie?
Focus op de nieuwe Frans-Belgische Conventie?

Het nieuwe verdrag zal in werking treden nadat het ratificatieproces van de wetgeving is voltooid. Het was de bedoeling dat dit van toepassing zou zijn op toegekende inkomsten vanaf 1 januari 2023, maar door het ingewikkelde ratificatieproces in België lijkt de inwerkingtreding uiteindelijk te worden uitgesteld tot 1 januari 2024. In wat volgt zullen wij trachten u een eerste overzicht te geven van de wijzigingen die reeds onze aandacht hebben getrokken.

Tweede verblijfplaats in Frankrijk

De regel inzake de samenhang van de belastingheffing over de inkomsten uit onroerende goederen is altijd onveranderlijk: het is de staat waar het onroerend goed is gelegen, die bevoegd is om de inkomsten uit dit onroerend goed te belasten.

Stelt u zich een Belgisch ingezetene voor die eigenaar is van een tweede woning in Frankrijk; de gegenereerde inkomsten uit onroerend goed worden uitsluitend in deze laatste staat belast en zijn in België dus volledig vrijgesteld van belasting. De Franse onroerende inkomsten moeten evenwel in de belastbare grondslag van de Belgische belastingplichtige worden opgenomen om in België de progressiviteit van de op andere inkomsten toepasselijke belasting te bepalen. Dit mechanisme bestaat erin een fictieve belasting te berekenen, alsof de in Frankrijk ontvangen inkomsten uit onroerend goed in België belastbaar waren, en vervolgens van de aldus vastgestelde fictieve belasting het gedeelte af te trekken dat betrekking heeft op de in Frankrijk ontvangen inkomsten. Dit mechanisme maakt het mogelijk het tarief te berekenen dat van toepassing is op alle inkomsten van de belastingplichtige.

Het nieuwe Verdrag introduceert nu een nieuw element door een criterium van effectieve belastingheffing in te voeren: als het goed effectief in Frankrijk wordt belast, kan België het niet langer belasten. Maar wat als de tweede woning in Frankrijk geen inkomsten oplevert omdat die niet wordt verhuurd? In dit geval heft Frankrijk slechts een gewone belasting op het verblijf, met uitsluiting van elke belasting op het inkomen uit vermogen. Volgens de nieuwe overeenkomst zou België, bij ontstentenis van een dergelijke effectieve belastingheffing in Frankrijk, zijn bevoegdheid om belasting te heffen terugkrijgen.

Het is nu zaak te weten of België gebruik zal maken van deze mogelijkheid om niet verhuurde Franse onroerende goederen te belasten. Het is zeer waarschijnlijk dat er van deze mogelijkheid zal worden afgezien door middel van een circulaire, waarin de redenen worden aangegeven. In de tussentijd blijft de vraag echter open.

Wat als Frans onroerend goed wordt aangehouden via een SCI?

Het gaat hier om de fiscale behandeling van inkomsten die worden uitgekeerd door burgerlijke vennootschappen voor onroerende goederen (sociétés civiles immobilières - SCI). Deze vennootschappen zijn fiscaal transparant, zodat hun belastingheffing via een transparantie-effect rechtstreeks in handen van hun aandeelhouders komt. Over dit onderwerp is de afgelopen jaren veel gedebatteerd en gediscussieerd.

Ter herinnering: in 2004 heeft het Belgische Hof van Cassatie erkend dat de door deze SCI's uitgekeerde inkomsten naar Frans recht als inkomsten uit onroerend goed konden worden aangemerkt en derhalve in België moesten worden vrijgesteld, behoudens de kwestie van de progressiviteit van de belasting.

Helaas heeft het Hof van Cassatie in 2016 en 2017 deze belastingbetalervriendelijke rechtspraak teruggedraaid in een juridische ontwikkeling die ons altijd enigszins perplex heeft doen staan. Kort samengevat, het Hof van Cassatie was van oordeel dat de inkomsten uit de deelnemingsrechten van niet-handelsvennootschappen geen onroerende inkomsten zijn in de zin van het Verdrag, zodat België niet verplicht was die vrij te stellen. In overeenstemming met de Belgische belastingautoriteiten werden de door deze SCI's uitgekeerde inkomsten in België dan ook behandeld als dividenden en belast tegen een tarief van 30%.

Deze inkomsten worden dus dubbel belast (althans economisch) aangezien zij in Frankrijk worden belast als inkomsten uit (onroerend) vermogen en in België als dividenden.

Tot grote teleurstelling van velen wordt deze situatie in het nieuwe belastingverdrag niet rechtgezet, aangezien in punt 12 van het aanvullend protocol ter voorkoming van dubbele belasting is bepaald dat de kwalificatie van SCI-inkomsten overeenkomstig de Belgische nationale wetgeving geschiedt.

Volgens onze informatie is een commissie deze situatie aan het analyseren. Het is te hopen dat het standpunt van België zal veranderen. Deze dubbele economische belasting beperkt immers het vrije verkeer van Franse ingezetenen, partners in SCI's, die zich niet in België kunnen vestigen wegens de dubbele belasting (effectieve belasting) van deze inkomsten en waarvan de cumulatieve belastingtarieven confiscatoir zijn.

Voorts consolideert het nieuwe Verdrag definitief het standpunt van de jurisprudentie van de Franse Conseil d'Etat (CE 24 februari 2020 nr. 436392) door uitdrukkelijk te bepalen dat meerwaarden die worden gerealiseerd bij de verkoop van aandelen in SCI's in Frankrijk belastbaar zijn. Het gaat hier niet om een fiscale nieuwigheid, maar om een bevestiging van het standpunt dat de Franse belastingautoriteiten in de afgelopen tien jaar hebben ingenomen.

In dit verband kunnen we opmerken dat artikel 13 van het nieuwe Verdrag verder gaat dan het kader van de gewone SCI's en meer in het algemeen gericht is op de belasting van alle meerwaarden die door Belgische ingezetenen worden gerealiseerd bij de verkoop van deelnemingen in - niet-beursgenoteerde - vennootschappen waarvan de activa voor meer dan 50% van hun waarde rechtstreeks of onrechtstreeks bestaan uit in Frankrijk gelegen onroerende goederen. Deze meerwaarden zijn belastbaar in Frankrijk. Zo zou bijvoorbeeld een aandeelhouder van een SAS (Société par actions simplifiée) die zou kunnen worden aangemerkt als een vennootschap met hoofdzakelijk onroerende goederen in de zin van bovengenoemd artikel, in Frankrijk worden belast in geval van een meerwaarde die wordt gerealiseerd bij de verkoop van zijn deelneming.

Belastingheffing op aanzienlijke vermogenswinsten?

Het nieuwe artikel 13 van het Verdrag voorziet in een nieuwe belastingregeling voor aanmerkelijke deelnemingen in Belgische of Franse vennootschappen wanneer de houder van deze deelnemingen zijn fiscale woonplaats heeft overgebracht.

Een deelneming wordt door het Verdrag als aanzienlijk beschouwd "wanneer een rechtspersoon of een natuurlijke persoon, alleen of tezamen met verwante personen, rechtstreeks of middellijk, aandelen of deelbewijzen bezit die in hun geheel recht geven op 25% of meer van de winst van de vennootschap".

Wanneer een Franse ingezetene een dergelijk aanmerkelijk belang bezit (en mits aan een aantal voorwaarden is voldaan), zou hij in Frankrijk vermogenswinstbelasting verschuldigd blijven indien de winst binnen zeven jaar na zijn verhuizing werd gerealiseerd.

Deze bepaling moet worden gelezen in samenhang met de interne bepaling van de Franse wet inzake exit-heffing, waarvan de werkingssfeer beperkt is tot de meerwaarde die op de dag van vertrek wordt bevroren en aan het einde van een periode van 5 jaar vervalt.

De nieuwe bepaling creëert dus een strengere vorm van exit-heffing, want als een aanzienlijke deelneming binnen 7 jaar na de verhuizing wordt verkocht, is de volledige gerealiseerde meerwaarde belastbaar in Frankrijk (en dus ook de meerwaarde die na de verhuizing ontstaat).

We moeten er op wijzen dat dit artikel niet specifiek is voor de Frans-Belgische overeenkomst. Het is overgenomen in alle andere verdragen waarover Frankrijk onlangs heeft onderhandeld.

De toerekenbare FBB heeft zijn tijd gehad

In een arrest van 16 juni 2017 heeft het Hof van Cassatie geoordeeld dat op grond van de versie van 1967 van het Frans-Belgische belastingverdrag een forfaitair buitenlands belastingkrediet (FBB) van 15% in mindering mocht worden gebracht op de Belgische bronbelasting die verschuldigd is op dividenden van Franse aandelen.

Na een lange juridische strijd heeft de Belgische belastingdienst voor het belastingjaar 2021, inkomsten 2020, toegestaan dat Belgische belastingplichtigen de aftrek van de FBB rechtstreeks via hun belastingaangifte kunnen verkrijgen. De belastingwinst voor de Belgische belastingplichtige is vrij aanzienlijk, aangezien de belastingdruk op een Frans dividend voor het jaar 2021 wordt verlaagd van 38,96% tot 25,88%.

Helaas zal deze mogelijkheid tot toerekening van de FBB vanaf de inwerkingtreding van het nieuwe verdrag niet meer mogelijk zijn, aangezien het oude artikel 19 van het verdrag is gewijzigd.

Ondertussen kunnen Belgische belastingplichtigen nog profiteren van de gunstige jurisprudentie van het Hof van Cassatie op het gebied van FBB tot 1 januari 2024, de datum van de geplande inwerkingtreding van het nieuwe Belastingverdrag.

Kunstenaars en sportbeoefenaars

In het nieuwe verdrag zijn specifieke bepalingen opgenomen voor kunstenaars en sportbeoefenaars, die voortaan in de bronstaat zullen worden belast op voorwaarde dat het bruto-inkomen van de kunstenaar of sportbeoefenaar meer dan 15.000 euro bedraagt.

Als de drempel van 15.000 euro niet wordt overschreden, behoudt de woonstaat de heffingsbevoegdheid.

De nieuwe overeenkomst is ook gericht tegen het structureren van lege vennootschappen voor de ontvangst van inkomsten van artiesten of sportbeoefenaars om zo de belastingregels te omzeilen.

Zoals duidelijk mag zijn, brengt het nieuwe belastingverdrag zeker belangrijke veranderingen op bepaalde gebieden, maar ook enkele onzekerheden. Volledigheidshalve zijn wij er uiteraard niet in geslaagd alle nieuwe maatregelen te behandelen. Belastingplichtigen die onder de werkingssfeer van dit Verdrag vallen, wordt aangeraden hun fiscale situatie opnieuw te bezien in het licht van de nieuwe bepalingen die binnenkort in werking zullen treden.

Mocht u op basis van bovenstaande nog vragen hebben, dan staan ABN AMRO Private Banking en het Wealth Solutions-team klaar om u te helpen.

Lara Hadjistratis
Lara Hadjistratis
Head of Wealth Solutions
Reacties
Er zijn nog geen reacties geplaatst bij dit artikel.