Uw Vermogen 24 november 2017

Enkele blikvangers uit de aangekondigde hervorming vennootschapsbelasting

Recentelijk bereikte de regering een akkoord over de reeds langer in het vooruitzicht gestelde grote hervorming van de vennootschapsbelasting. De hervorming is gesteund op volgende principes: vereenvoudiging, minder complexiteit en budgettaire neutraliteit. Zoals hierna ook zal blijken, kan nu al de vraag gesteld worden in hoeverre deze doelstellingen zijn of worden bereikt.

Hoewel de concrete omzetting in wetsontwerpen zich nog in een voorbereidende fase bevindt en bepaalde modaliteiten nog altijd aan wijzigingen onderhevig kunnen zijn, kunnen Belgische vennootschappen zich vanaf aanslagjaar 2019 (= boekjaren die aanvangen vanaf 1/1/2018) aan volgende zaken verwachten.

1. Tariefverlaging

Dé blikvanger is ongetwijfeld de verlaging van de bestaande tarieven vennootschapsbelasting. De verlaging is gespreid over meerdere jaren en omvat eveneens de geleidelijke afschaffing van de zogenaamde aanvullende crisisbijdrage van 3%. 

Schematische weergegeven, ziet e.e.a. er als volgt uit:

Tariefverlaging vennootschapsbelasting

Net zoals dit vandaag reeds het geval is, blijft voornoemd ‘verlaagd tarief’ in de toekomst slechts van toepassing, indien er aan bepaalde voorwaarden is voldaan. Zo zal de vennootschap in de toekomst moeten kwalificeren als een KMO in de zin van artikel 15, §1-6 W.Venn.. 

Bovendien luidt één van de belangrijkste huidige voorwaarden dat er aan één bedrijfsleider een bezoldiging van minstens EUR 36.000,00 moet toegekend worden. Dit bedrag wordt opgetrokken naar EUR 45.000,00.

2. Belastbaarheid meerwaarden op aandelen

De bestaande belastingvrijstelling voor meerwaarden op aandelen die minstens één jaar werden aangehouden, komt te vervallen. Net zoals het afzonderlijke tarief van 0,412%, dat enkel van toepassing is op zgn. ‘grote vennootschappen’.

In de plaats daarvan zullen alle gerealiseerde meerwaarden op aandelen belastbaar worden, tenzij de vennootschap gedurende minstens één jaar een participatie van minstens 10% of EUR 2.500.000,00 in de betreffende aandelen bezat. Anders gezegd, waar meerwaarden op aandelen in een effectenportefeuille van een vennootschap momenteel nog frequent kunnen vrijgesteld worden, zal dit vanaf aanslagjaar 2019 veeleer de uitzondering worden en zal de meerwaarde belast worden aan het standaard of verlaagd tarief.   

3. Notionele intrestaftrek (NIA): beperking berekeningsbasis

De fiscale relevantie van de Notionele Intrestaftrek (NIA) wordt verder ingeperkt: nadat het tarief van de NIA de afgelopen jaren drastisch is gedaald door de lage rentestanden, grijpt nu ook de wetgever in en wordt een inkrimping van de berekeningsbasis van de NIA in het vooruitzicht gesteld.

Momenteel wordt de NIA nog berekend op de waarde van het gecorrigeerd eigen vermogen (in vakjargon: het ‘risicokapitaal’). Dit zal vanaf aanslagjaar 2019 veranderen: de NIA zal enkel nog berekend mogen worden op – zet u schrap – “het incrementeel risicokapitaal t.o.v. het voortschrijdend gemiddelde van de afgelopen vijf jaar”.

In mensentaal houdt dit in dat als berekeningsbasis niet langer het risicokapitaal zelf zal mogen gebruikt worden, maar wel de gemiddelde toename van het risicokapitaal, berekend over een periode van vijf boekjaren. Is er in een bepaald boekjaar geen gemiddelde toename of is ze negatief, dan zal er voor dat jaar geen NIA kunnen berekend worden.

4. Kapitaalvermindering wordt belastbaar

Tot op vandaag kan en mag een kapitaalvermindering binnen een Belgische vennootschap fiscaal volledig toegerekend worden op het gestort kapitaal. In de regel heeft dit tot gevolg dat een kapitaalvermindering voor de aandeelhouder een belastingvrije operatie uitmaakt.

Naar alle verwachting komt hieraan met ingang van aanslagjaar 2019 een einde. Kapitaalverminderingen waartoe vanaf dan zal beslist worden, zullen fiscaal in de regel wél belastbaar worden. Zij zullen immers geacht worden verhoudingsgewijs voort te komen uit:

  1. het totaal bedrag van het gestort kapitaal en 
  2. het totaal van de belaste reserves en de in kapitaal geïncorporeerde vrijgestelde reserves. 

Ten belope van de verhouding (2)/(1)+(2) zal de kapitaalvermindering geacht worden een belastbaar dividend te zijn, onderworpen aan 30% roerende voorheffing.

Auteur

Dirk Denies

Tax manager - Estate Planner