Uw Vermogen 20 maart 2017

Burgerlijke maatschap? De fiscus stelt zijn grenzen!

Wie nadenkt over optimale successieplanning heeft ongetwijfeld al gehoord van de burgerlijke maatschap. Op die manier kan men vrijgesteld van erfbelasting zijn vermogen schenken aan de volgende generatie. Een recente beslissing van de Vlaamse Belastingsdienst zou hier echter verandering in kunnen brengen. Waar gaat het precies over, en wat zijn de gevolgen voor u? Mr. Deknudt & Mr. Nelis, beiden advocaat-vennoot bij Deknudt-Nelis Advocaten, leggen uit.

De burgerlijke maatschap op maat

“De burgerlijke maatschap is al vele jaren het controlevehikel bij uitstek in het kader van een successieplanning. In een veelgebruikt schema wordt het vermogen dat men wenst te schenken eerst ingebracht in een burgerlijke maatschap. In ruil daarvoor worden delen van de burgerlijke maatschap verkregen die vervolgens worden geschonken, meestal onder voorbehoud van vruchtgebruik of onder de last voor de begiftigde om aan de schenker levenslang een rente uit te keren. De schenker wordt in de statuten van de burgerlijke maatschap aangeduid als quasi onafzetbaar zaakvoerder van de burgerlijke maatschap waardoor de schenker gedurende de duur van de burgerlijke maatschap (die gewoonlijk ten minste gekoppeld is aan het leven van de schenker) de controle uitoefent over het in de burgerlijke maatschap ingebrachte vermogen.”

De voordelen

“Aan de zaakvoerder kunnen zeer ruime bevoegdheden worden toegekend. Zo bijvoorbeeld kan de bevoegdheid worden toegekend om het ingebrachte vermogen van de maatschap te beleggen, vrij en naar eigen inzicht. Aangezien er in het Wetboek van Vennootschappen slechts enkele regels zijn met betrekking tot de burgerlijke maatschap, kan de burgerlijke maatschap perfect op maat worden geregeld. De oprichting kan bij onderhandse akte geschieden waardoor de burgerlijke maatschap een discreet karakter heeft. Bij de oprichting en bij de latere ontbinding van de burgerlijke maatschap zijn er in principe geen belastingen verschuldigd, tenzij er onroerend goed bij betrokken is. Tijdens de werking van de burgerlijke maatschap is er evenmin een fiscale meerkost, aangezien de burgerlijke maatschap op het vlak van inkomstenbelastingen als fiscaal transparant wordt behandeld.” 

Beslissing Vlabel

“Daar waar het gebruik van een burgerlijke maatschap als middel tot controlebehoud bij een schenking op het gebied van erfbelasting vroeger nooit in vraag werd gesteld, ook al werd aan de schenker een zeer verregaande controlebevoegdheid gegeven, heerst er op heden onzekerheid. De Vlaamse Belastingdienst heeft immers in een Voorafgaande Beslissing in een concreet dossier beslist dat een schenking in combinatie met een burgerlijke maatschap en waarbij de volledige controle over het vermogen wordt behouden door de schenker de fictiebepaling van artikel 2.7.1.0.3,3° VCF  frustreert. Hierdoor stelt Vlabel deze verrichting in toepassing van de fiscale antimisbruikbepaling gelijk met de verrichting beoogd in art. 2.7.1.0.3,3° VCF en is er bijgevolg erfbelasting (tarief: 27% boven de 250.000 €) verschuldigd bij het overlijden van de schenker (die dus tevens zaakvoerder is van de maatschap).” 

“Daarnaast was Vlabel ook van oordeel dat het verbinden van een last tot het betalen van een lijfrente aan een schenking ook kan leiden tot het verschuldigd zijn van erfbelasting bij het overlijden van de schenker, als de last over de jaren heen groter kan zijn dan de waarde van het geschonkene op het ogenblik van de schenking. Vlabel houdt hier dus ten onrechte geen rekening met de redelijke verwachting dat het geschonkene een rendement zal genereren. Verder knoopt Vlabel de belastingheffing bij overlijden van de schenker op dit punt vast aan artikel 2.7.1.0.7 VCF, zijnde een artikel dat geschreven is voor het bewust verkeerd kwalificeren van een schenking als een handeling ten bezwarende titel en dus helemaal niet voor het onbewust “verkeerd” kwalificeren van een handeling ten bezwarende titel als een schenking, zijnde de volledig tegenovergestelde hypothese.”

Wat nu?

“Ten eerste mag niet uit het oog worden verloren dat het slechts een Voorafgaande Beslissing betreft en het dus slechts gaat om een beoordeling in één concreet geval. Het betrof hier een schenking van ouders die maar net de veertig jaar waren gepasseerd aan hun minderjarige kinderen en Vlabel doet uitschijnen dat dit element in haar beslissing heeft meegespeeld. Als men de logica die Vlabel in deze beslissing hanteert evenwel aanhoudt, lijkt het ons niet onwaarschijnlijk dat in de toekomst ook andere dossiers zullen worden geviseerd waarin de leeftijd van de betrokkenen hoger ligt, afhankelijk van de mate van de controle die de schenker zich middels de statuten van de maatschap heeft voorbehouden.”

“Ten tweede rijst de vraag of, als Vlabel de aangenomen redenering breed zal gaan doortrekken naar andere dossiers, zij dit ook zal doen voor burgerlijke maatschappen die reeds zijn opgezet in het verleden. Alleszins kan dit o.i. alvast niet voor maatschappen die zijn opgericht vóór 1 juni 2012, datum waarop de antimisbruikbepaling in werking is getreden. Doch ook voor alle maatschappen opgericht na 1 juni 2012 maar vóór de publicatie van de besproken Voorafgaande Beslissing (30 november 2016) rijst de vraag of het rechtzekerheidsbeginsel niet gebiedt dat Vlabel deze niet verder ter discussie stelt.” 

“Ten derde is de redenering die Vlabel hier hanteert volgens ons onjuist. Het gaat om diverse redenen fiscaaltechnisch niet op om via de toepassing van de antimisbruikbepaling het fictielegaat van art. 2.7.1.0.3,3° VCF toe te passen.”

“Ten vierde dient de vaststelling te worden gemaakt dat het in de besproken beslissing opnieuw een geval betreft van een schenking voor Nederlandse notaris. Uit de opeenvolgende standpunten en Voorafgaande Beslissingen blijkt duidelijk dat de Nederlandse route niet erg in de smaak valt bij Vlabel en er schijnbaar minder problemen worden gemaakt als men bereid is af te rekenen in de schenkbelasting (3% in de rechte lijn).

Hopelijk wordt er snel klaarheid in deze problematiek geschapen. Intussen houdt men toch best rekening met deze beslissing”.

Voetnoot: 

  • Artikel 2.7.1.0.3,3° VCF: die stelt dat een schenking gedaan onder de opschortende voorwaarde of opschortende termijn van het overlijden van de schenker op fiscaal vlak niet geacht wordt een schenking te zijn en dus wordt belast met erfbelasting bij het overlijden van de schenker.
Auteur

Mr. Deknudt & Mr. Nelis

Deknudt Nelis Advocaten